Op 11 juni 2021 heeft de Hoge raad een opmerkelijk arrest[i] gewezen. Dit kan in de financiële adviespraktijk van belang zijn.

Helaas worden de feiten slechts summier geschetst, in maar acht regels. Daardoor is het lastig om algemene spelregels voor de adviespraktijk uit het arrest te destilleren. De Hoge Raad heeft de zaak voor een inhoudelijke toets verwezen naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en hopelijk zal deze instantie de feiten uitgebreid(er) memoreren.

Toch wil ik de casus graag met je delen.

Casus

Een stel heeft sinds 1978 een affectieve relatie. Op een goed moment zijn zij gaan samenwonen. In 2004 hebben zij een samenlevingscontract getekend en daarin hun onderlinge afspraken vastgelegd. Welke dat zijn, wordt helaas niet vermeld.

Voor de leesbaarheid zal ik de partners hierna aanduiden met X en Y. In 2012 heeft X een woning in eigendom verkregen. De ander (Y) wordt dus bij het Kadaster niet als mede-eigenaar geregistreerd.

De relatie houdt geen stand en het stel gaat uit elkaar. In 2017 sluiten zij een convenant waarin zij afspraken terzake van de verdeling van hun vermogen vastleggen. In het convenant staat, dat de woning zal worden toegedeeld aan Y (dus degene die niet als eigenaar bij het Kadaster te boek staat).

Ter uitvoering van deze afspraak heeft X de woning op 21 december 2017 aan Y geleverd. Volgens de akte van levering was de koopprijs € 205.000. Y moest in verband met die levering 2% van € 205.000 oftewel € 4.100 aan overdrachtsbelasting afdragen.

De rechtsvraag
Y is het daar niet mee eens, want zij meent dat deze situatie vrijgesteld is van de heffing van overdrachtsbelasting; meer specifiek op grond van artikel 15 lid 1 sub g van de Wet op Belastingen van Rechtsverkeer (WBRV). Deze wetsbepaling wordt ook wel (incorrect) aangeduid als de samenwoners-vrijstelling en houdt in dat van overdrachtsbelasting is vrijgesteld de verkrijging:

g.     krachtens verdeling van een gemeenschap tussen samenwoners, voor zover de gemeenschap waarin de ene is gerechtigd voor ten minste 40 percent en de andere voor ten hoogste 60 percent, is ontstaan door een gezamenlijke verkrijging en de toedeling geschiedt aan een van de verkrijgers of iemand die als rechtverkrijgende onder algemene titel van een verkrijger in het toegedeelde goed was gerechtigd;

De belastinginspecteur is van mening dat deze vrijstelling niet van toepassing is omdat X in eerste instantie 100% eigenaar is geworden. Er was dus geen gemeenschap waarin X en Y samen gerechtigd waren.

De belastingplichtige Y meent echter dat er sprake is van een gemeenschap van economische eigendom van de woning. Zij verwijst daarbij naar artikel 2 lid 2 WBRV. Daarin is sinds 1 januari 1995 opgenomen dat ook de verkrijging van de economische eigendom van een onroerende zaak een belaste verkrijging is.

De Hoge Raad volgt Y in dit betoog en vernietigt de uitspraak van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Nu mag het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zich opnieuw over de zaak buigen en beoordelen of er inderdaad sprake is van een gezamenlijke economische eigendom binnen de bandbreedte van 60/40.

Opmerkingen
Zoals gezegd zijn de feiten summier. In het arrest van de Hoge Raad wordt bijvoorbeeld niet vermeld waarom er sprake is van een (gezamenlijke) economische eigendom, noch sinds welke datum daarvan sprake zou zijn.

Vermoedelijk zal Y teruggrijpen naar de dag in 2012 waarop X de akte van levering heeft getekend. Ik denk dat Y van mening is dat de afspraken over de economische eigendom zijn vastgelegd in het samenlevingscontract van X en Y.

Dit is van belang om te vermelden omdat Van Straaten[ii][1] terecht opmerkt dat een zogenaamde meerwaarde-clausule in een samenlevingscontract nou net geen econoom is. In zo’n clausule leggen de samenwoners vast dat de waarde van de woning (doorgaans eigendom van één van hen) tussen hen gedeeld zal worden “alsof” deze gezamenlijk eigendom is. Ik hoop dus dat in het (toekomstige) arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wel duidelijk wordt gemaakt waarom sprake is van een gezamenlijke verkrijging door partijen van de economische eigendom.

Dat zou voor iedereen die in de praktijk werkt verhelderend zijn.Praktijk
In welke situatie is dit alles voor financieel adviseurs nu nuttige informatie? Ik zal er eentje schetsen die denk ik het meeste voor zal komen.

Een stel (A en B) krijgt een relatie. A heeft al een baan, terwijl B nog studeert. Samen willen ze een huis kopen. Een hypotheekverstrekker is bereid om op basis van het inkomen van A een lening te verstrekken. Vanwege de hoogte van de studieschuld van B is het echter niet wenselijk dat B mede-schuldenaar wordt. Het stel besluit dat A de woning daarom alleen zal kopen. A tekent bij de notaris de akte van levering en de hypotheekakte. Samen tekenen A en B een samenlevingscontract met daarin een meerwaarde-clausule.

Vervolgens strandt de relatie en wil B in het huis blijven wonen. Omdat B in de tussentijd de studie heeft afgerond en een goed betaalde (vaste) baan heeft, is een (andere) hypotheekverstrekker bereid om een lening aan B te verstrekken waardoor deze A kan uitkopen.

Normaal gesproken zal er bij de overdracht van de eigendom door A aan B 2% overdrachtsbelasting geheven worden. Op grond van het arrest van de Hoge Raad zou B dan toch een beroep kunnen doen op de vrijstelling van artikel 15 lid 1 sub g WBRV. Bij het vaststellen van de financieringsbehoefte van B is dat voor de financieel adviseur een belangrijk punt.

Ik ben mij er van bewust dat B waarschijnlijk ook in aanmerking komt voor de (ook foutief aangeduide) Startersvrijstelling. Want B zal in deze geschetste situatie waarschijnlijk jonger dan 35 jaar. Als de waarde van de woning niet hoger is dan € 400.000 en B deze vrijstelling niet al eerder heeft benut, kan deze vrijstelling worden ingeroepen.

Maar is dat wel het beste advies dat aan de afgestudeerde B gegeven kan worden? Want het kan zijn dat B, ná de aankoop van de woning door A, toch besluit om een andere woning te kopen (al dan niet met een nieuwe partner C). Als B bij de aankoop van A de Startersvrijstelling benut, is dat later niet meer mogelijk. Dat is jammer als B in plaats daarvan bij de verkrijging van A ook de vrijstelling van artikel 15 lid 1 sub g WBRV had kunnen inroepen.

UPDATE: De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Op 15 februari 2022 heeft dat Hof bevestigd dat er sprake is van een verdeling tussen samenwoners waarbij géén overdrachtsbelasting geheven mag worden.
Klik hier voor die uitspraak.



[i] https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2021:888

[ii] Overdrachtsbelasting – verdeling tussen samenwoners, mr. J.C. van Straaten, Fiscale Berichten voor het Notariaat, nummer 51, 2021/10, pagina 7

%d bloggers liken dit: