Inleiding

In dit artikel bespreek ik de niet-opeisbare vordering voorzover die ontstaat door overlijden. De focus ligt hierbij op de inkomstenbelasting en de schenkbelasting.

Aanleiding is de vaak gehoorde vraag van de langstlevende ouder of hij zo’n vordering, ook al is deze nog niet opeisbaar, toch al zonder fiscale consequenties kan uitbetalen aan de kinderen. Bijvoorbeeld omdat de langstlevende over voldoende vrij besteedbaar vermogen beschikt na verkoop van zijn woning of omdat langdurige opname in een zorginstelling dreigt. In het laatste geval zijn cliënten bang dat zij moeten interen op hun vermogen vanwege de hoge eigen bijdrage.

Ik probeer in dit artikel een praktisch overzicht te geven om cliënten hierover goed te kunnen adviseren en vooral de valkuilen te vermijden. Want als er naar de mening van de belastingdienst (iets) teveel wordt uitbetaald aan de kinderen, zal heffing van schenkbelasting volgen. En die kan fors uitpakken.

Eerst zal ik aangegeven in welke situaties een niet-opeisbare vordering door overlijden ontstaat. Vervolgens zal ik de wettelijke en de gebruikelijke testamentaire opeisingsgronden bespreken. Daarna behandel ik de defiscalisering in de inkomstenbelasting. Dan leg ik uit waarom vervroegde uitbetaling van een niet-opeisbare vordering heffing van schenkbelasting tot gevolg kan hebben en hoe dit voorkomen kan worden. In een rekenvoorbeeld wordt een en ander verduidelijkt. Ik rond af met een aantal concrete aanbevelingen voor de lezers om rekening mee te houden in hun adviespraktijk.

1.     Wanneer is sprake van een niet-opeisbare vordering door overlijden?

a.     Klassiek voorbeeld

Om de gedachten te bepalen, ga ik uit van de volgende situatie:

–      beide ouders zijn met elkaar getrouwd op het moment dat één van hen overlijdt;

–      ze hebben één of meer kinderen van hen samen;

–      ze hebben allebei geen testament opgesteld of hebben wel een uiterste wilsbeschikking maar wijken hierin niet af van de regels inzake erfopvolging zoals vastgelegd in Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Overlijdt de eerste ouder, dan is de langstlevende samen met het kind/de kinderen erfgenaam, ieder voor een gelijk gedeelte.

Is er geen testament, dan is de zogenaamde wettelijke verdeling van artikel 13 Boek 4 BW van toepassing. Die houdt onder meer in dat de bezittingen van de overledene overgaan op de langstlevende en de kinderen een vordering krijgen op de langstlevende ter grootte van hun erfdeel.

b.         Materieel vergelijkbare situaties

Is er wel een testament, maar wordt daarin niet afgeweken van deze wettelijke verdeling, dan is de uitkomst praktisch gesproken hetzelfde.

Maar er zijn ook nog andere testamentvormen denkbaar die materieel voldoende vergelijkbaar zijn met het wettelijke erfrecht. Voor al deze situaties geldt de zogenaamde defiscalisering. Op dit onderwerp kom ik later in dit artikel terug.

Sinds 1 januari 2012 is de defiscalisering in ieder geval van toepassing (1):

1.     als er geen testament is en de wettelijke verdeling, zoals hiervoor vermeld, van toepassing is;

2.     als er sprake is van een testament waarin de langstlevende de wettelijke verdeling van toepassing verklaart casu quo daar niet van afwijkt (eveneens hiervoor al aangestipt);

3.     bij de zogenaamde ouderlijke boedelverdeling (op grond van testamenten van vóór 1 januari 2003 waarbij gebruik werd gemaakt van artikel 1167 van Boek 4 BW);

4.     bij een verdeling na overlijden door de erfgenamen of de afwikkelingbewindvoerder waarbij verdeeld wordt alsof de wettelijke verdeling van toepassing is;

5.     bij een partiële verdeling van de nalatenschap door de erfgenamen (ongeacht of deze mogelijkheid in het testament is opgenomen);

6.     bij afgifte van een legaat van vermogensbestanddelen ter keuze van de langstlevende tegen inbreng van de waarde (waarbij deze waarde schuldig gebleven mag worden);

7.     bij een testament voor samenwoners waarbij de langstlevende partner enig erfgenaam is en de kinderen een legaat krijgen van een geldbedrag met een uitgestelde opeisbaarheid;

8.     bij een testament voor echtgenoten waarbij de langstlevende echtgeno(o)t(e) enig erfgenaam is en de kinderen een legaat krijgen van een geldbedrag onder de bepaling dat de opeisbaarheid is uitgesteld;

9.     bij een vruchtgebruiktestament (ongeacht of de langstlevende mede-erfgenaam is);

10.   bij een vruchtgebruik ontstaan doordat een wettelijk wilsrecht wordt ingeroepen door een kind;

11.   bij een vruchtgebruik ontstaan doordat een testamentair wilsrecht wordt ingeroepen door een kind;

12.   bij een vruchtgebruik krachtens artikel 29 of 30 Boek 4 BW;

13.   na inroepen legitieme portie van een kind mits niet opeisbaar op grond van artikel 81, 82 of 83 van Boek 4 BW.

Uitdrukkelijk wijs ik er op dat in al deze gevallen de defiscalisering van rechtswege geldt. De erfgenamen hebben daarin dus geen keuze.

2.     Opeisingsgronden

a.     Geen testament

Krijgen de kinderen een vordering op de langstlevende op grond van de wettelijke verdeling dan zijn die vorderingen – op grond van artikel 13 lid 3 van Boek 4 BW – niet opeisbaar totdat de langstlevende overlijdt, failliet wordt verklaard of de schuldsanering natuurlijke personen op hem of haar van toepassing is.

b.     Wel testament

Heeft de overledene wel een langstlevende testament (in de ruime zin des woords) dan worden hierin deze opeisgronden vrijwel altijd uitgebreid waardoor de vorderingen – naast de wettelijk vastgelegde momenten – ook opeisbaar zijn als:

a.     de langstlevende moet interen op het vermogen omdat er sprake is van een vermogenstoets;
bijvoorbeeld als een uitkering op grond van de Participatiewet wordt aangevraagd of de langstlevende op grond van de Wet langdurige zorg (WLZ) een eigen bijdrage verschuldigd is voor intramurale zorg;

b.     de langstlevende (her-)trouwt,
al dan niet zonder het maken en instandhouden van huwelijkse voorwaarden waardoor het vermogen van de langstlevende en dat van de nieuwe partner niet samenvloeien terwijl het vermogen van de langstlevende ook niet uitgewonnen kan worden voor schulden van de nieuwe partner;

c.     de langstlevende het vermogen aan derden kwijtraakt omdat hij in de schuldsanering natuurlijke personen terechtkomt, surcéance van betaling aan hem wordt verleend, hij onder curatele wordt gesteld of zijn vermogen onder bewind wordt geplaatst.
Vaak is opgenomen dat opeising al mogelijk is zodra een verzoek daartoe is ingediend.

Als sprake is van een testamentair vruchtgebruik voor de langstlevende, is doorgaans bepaald dat het vruchtgebruik eindigt in voormelde situaties.

3.     Niet-opeisbare vordering en de inkomstenbelasting

Vanwege de leesbaarheid worden in het volgende deel vruchtgebruik-testamenten niet apart vermeld. Grosso modo is het navolgende echter ook daarop van toepassing.

a.     Hoe werkt de defiscalisering?

Door de werking van de wettelijke verdeling of de verschillende vormen van langstlevende testament als hiervoor vermeld, krijgen de kinderen een vordering op de langstlevende. De langstlevende heeft een daarmee corresponderende schuld aan de kinderen.

In het systeem van de inkomstenbelasting zou dat betekenen dat de kinderen deze vorderingen in Box 3 moeten aangeven als vermogen. De langstlevende zou de schulden op moeten geven in diezelfde Box 3.

Hierdoor zou jaarlijks heffing van inkomstenbelasting kunnen plaatsvinden bij de kinderen over vermogen dat gevoelsmatig niet van hen is. Daarnaast bepaalt de waarde van de Eigen Woning – die eigendom is van de langstlevende – mede de hoogte van de vorderingen van de kinderen. Hierdoor zou (een deel van) de waarde van die woning als het ware niet bij de langstlevende in Box 1 maar bij de kinderen in Box 3 belast worden.

Om dit te voorkomen, is in artikel 5.4 Wet inkomstenbelasting 2001 (IB) de regeling van de defiscalisering opgenomen.

Voor de inkomstenbelasting worden de vorderingen van de kinderen en de schuld van de langstlevende genegeerd. Daardoor wordt de waarde van de Eigen Woning alleen in aanmerking genomen bij de langstlevende. Hetzelfde geldt voor het spaargeld en/of de beleggingen van de overledene. (2)

De langstlevende mag de schulden aan de kinderen niet in mindering brengen op zijn of haar Box 3 vermogen. De kinderen hoeven in hun aangifte echter ook geen opgaaf te doen van hun vorderingen op de langstlevende. Heffing van inkomstenbelasting vindt daardoor plaats bij de persoon die daadwerkelijk over het vermogen kan beschikken (de langstlevende).

Dit is niet ter keuze van de belastingplichtige(n), omdat de defiscalisering van rechtswege werkt. (3)

Als zich één of meer (wettelijke of testamentaire) opeisgronden voordoen, vervalt echter de defiscalisering. De kinderen moeten de opeisbare vordering dan vermelden in hun aangifte inkomstenbelasting in Box 3, terwijl de langstlevende voortaan ineens de schuld aan de kinderen als passief mag vermelden. (4)

b.     Aandachtspunten

–      Als sprake is van een vruchtgebruiksituatie op grond van het testament van de eerstoverleden ouder, geldt de defiscalisering pas nadat het vruchtgebruik is gevestigd bij notariële akte. Als dit gebeurt binnen twee jaar na het overlijden, is goedgekeurd dat de vorderingen gedefiscaliseerd zijn vanaf het (eerdere) moment van overlijden. (5)

–      Het is niet nodig dat de overledene één van de ouders is van de erfgenamen. Ook is niet noodzakelijk dat de langstlevende een ouder is van het kind dat een vordering heeft gekregen. Er kan dus sprake zijn van een (stief)kind of (stief)ouder.

–      De defiscalisering geldt eveneens als kleinkinderen rechtstreeks tot de erfenis zijn geroepen omdat zij – door het overlijden van hun eigen ouder – op basis van plaatsvervulling opkomen.
De defiscalisering blijft ook in stand als een schoonzoon of -dochter gerechtigd wordt tot de niet-opeisbare vordering. Dit kan spelen als het kind overlijdt nadat de niet-opeisbare vordering is ontstaan en het recht op uitbetaling vererft naar de partner van dat kind.

–      De defiscalisering is niet van toepassing als een ander dan een (klein)kind of partner van een overleden (klein)kind gerechtigd is tot de niet-opeisbare vordering. (6)

–      Ook bij een zogenaamd Ik-Opa-testament is geen sprake van defiscalisering. Bij dit type testament wordt de nalatenschap namelijk niet verdeeld op een wijze die materieel vergelijkbaar is met het versterferfrecht. (7)

–      Onlangs werd bekend dat defiscalisering van een vordering zelfs in stand kan blijven als de vordering intussen opeisbaar is geworden. In casu was de langstlevende van plan om te hertrouwen.
Op grond van het testament van zijn overleden (eerste) echtgenote zouden de vorderingen opeisbaar worden door het enkele feit van hertrouwen. De belastinginspecteur heeft bevestigd dat de defiscalisering desondanks van toepassing blijft, als de kinderen en de langstlevende overeenkomen dat de vordering toch niet opeisbaar is. De enige voorwaarde is, dat een en ander schriftelijk vastgelegd wordt vóór de peildatum van 1 januari van het jaar van hertrouwen. (8)

c.     Defiscalisering en de eigen bijdrage zorg

De hoogte van de eigen bijdrage bij intramurale zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) is afhankelijk van het genoten inkomen, vermeerderd met een fictief inkomen. Dat fictieve inkomen wordt berekend aan de hand van een forfaitair rendement over (een deel van) het vermogen in Box 3 van de inkomstenbelasting. (9)

De wetgever bepaalt dit rendement en het drempelvermogen voor deze berekening.
De enige component in de berekening waar de cliënten zelf invloed op hebben is dus de omvang van het vermogen.
Vandaar de vaak door de langstlevende geuite wens om de kindsdelen vervroegd uit te betalen omdat hierdoor het vermogen wordt verlaagd.

Tengevolge van de defiscalisering spelen de niet-opeisbare vorderingen van de kinderen geen rol in de berekening van het Box 3 vermogen van de langstlevende of dat van de kinderen.

Zoals aangegeven werkt de defiscalisering van rechtswege.
Voor cliënten is het daarom belangrijk dat de vorderingen van de kinderen niet alleen opeisbaar zijn op de drie in de wet aangegeven momenten. Het eerste advies aan cliënten zou dan ook moeten zijn om deze opeisingsgronden testamentair uit te breiden met (onder andere) langdurige opname van de langstlevende in een zorginstelling.

De langstlevende hoeft de kindsdelen overigens niet daadwerkelijk uit te betalen. Door het enkele feit van die opname vervalt de defiscalisering en moet de langstlevende de opeisbare vorderingen van de kinderen in Box 3 opvoeren. Daardoor daalt zijn Box 3 vermogen en dus ook de grondslag voor de berekening van de eigen bijdrage voor de zorg. (10)

Dit advies werkt natuurlijk alleen als beide echtelieden nog in staat zijn om hun testamenten in deze zin op te stellen of aan te passen. Is één van hen al overleden, dan kan alleen  daadwerkelijke uitbetaling van de niet-opeisbare vorderingen het Box 3 vermogen verlagen.

4.     Vervroegde uitbetaling niet-opeisbare vordering en de schenkbelasting

Geregeld doet zich de situatie voor dat een weduwe/weduwnaar een niet-opeisbare vordering wil uitbetalen. Als wordt afgelost terwijl op dat moment géén enkele opeisingsgrond van toepassing is, kan een heffing schenkbelasting het gevolg zijn.

Terzijde merk ik op dat het besluit tot uitbetaling ook door de kinderen kan worden genomen als de langstlevende daartoe niet meer in staat is, mits hij de kinderen in een levenstestament heeft aangewezen als gevolmachtigde.

a.     Vereisten schenking

In artikel 7:186 lid 2 BW is aangegeven dat sprake is van een schenking als er:

=     een verarming is van degene die uitbetaalt;

=     een verrijking is van de ontvangende partij; en

=     het de bedoeling is om de ontvanger te bevoordelen.

Omdat de fiscale wetgeving het civiele recht volgt, betekent dit dat ook in fiscale zin sprake is van een schenking, als aan deze drie vereisten is voldaan.

Wordt er meer afgelost op de niet-opeisbare vordering dan de contante waarde daarvan op dat moment, dan is dit per definitie het geval.
De hoogte van de gift wordt vervolgens bepaald aan de hand van de regels als bedoeld in artikel 21 lid 14 Successiewet (SW) juncto artikel 5 en 10 Uitvoeringsbesluit Successiewet (USW).

Onder contante waarde wordt hier verstaan: de waarde in het economisch verkeer op het moment van uitbetalen, rekening houdend met het gegeven dat de ontvangende partij rendement kan behalen op het uitgekeerde bedrag in de periode tot het moment waarop daadwerkelijk uitbetaald zou worden.

Bij het bepalen van de contante waarde wordt – voor zover hier van belang – op grond van een arrest van de Hoge Raad uit 1974 (11) gekeken naar:

1.     de nominale waarde van de vordering;

2.     het over de vordering verschuldigde rentepercentage.

Daarbij moet onderscheid gemaakt worden tussen vervroegde uitbetaling van de vordering zelf en van de daarover verschuldigde rente.

b.    Vervroegde uitbetaling vordering sec

Kunnen de kinderen hun vordering niet nu maar wel in de nabije toekomst opeisen omdat één van de opeisingsgronden zich gaat voordoen, dan zal de contante waarde van de vordering vrijwel gelijk zijn aan de nominale waarde.

Stel dat de langstlevende terminaal is en opgenomen in een hospice, dan mogen we aannemen dat het niet lang meer zal duren voordat de kinderen de vordering kunnen opeisen vanwege zijn overlijden.
Wordt de nominale waarde uitbetaald vóór dit moment, dan is weliswaar sprake van een schenking, maar die is dusdanig klein, dat deze minder groot zal zijn dan de schenkingsvrijstelling waar het kind dat jaar recht op heeft.

Is de langstlevende echter (relatief) gezond en ziet het er ook niet naar uit dat één van de andere opeisingsgronden zich binnen afzienbare tijd zal voordoen, dan kan de contante waarde berekend worden aan de hand van de statistische levensverwachting van de langstlevende.
Daarbij mag geen gebruik gemaakt worden van de tabellen waarnaar verwezen wordt in de Successiewet. Deze zijn nauwelijks nog actueel te noemen. In plaats daarvan moeten de meest recente tabellen gehanteerd worden van het Centraal Bureau voor de Statistiek of het Actuarieel Genootschap. (12)

c.     Invloed rente op de contante waarde van de vordering

Is de over de vordering verschuldigde rente lager dan de marktrente, dan is de contante waarde van de vordering lager dan de nominale waarde. Dat kan het geval zijn bij een renteloze vordering of een lage testamentaire rente.

Is de rente gelijk aan de marktrente, dan is de contante waarde gelijk aan de nominale, tenzij één van de opeisingsgronden op korte termijn in zal treden. Het is dan voor de langstlevende voordeliger om af te lossen dan om de rente op te laten lopen.

Is de rente hoger dan de marktrente, dan overtreft de contante waarde de nominale.

Let op: als in het testament van de overledene een enkelvoudige rente is vermeld, dan moet die eerst omgerekend worden naar een samengestelde rente. (13)

Het voorgaande lijkt op zich simpel en overzichtelijk, ware het niet dat de wetgever nergens heeft aangegeven hoe de bewuste marktrente moet worden vastgesteld.

Diverse auteurs hanteren daarvoor een andere benadering. Welkers en De Jong geven een overzicht van deze verschillende visies. (14)
Zelf zijn zij van mening dat “de zakelijke rente moet worden gebaseerd op het redelijk te verwachten gemiddelde rendement dat de schuldeiser in de resterende looptijd zou kunnen behalen met het vermogen.

In hun optiek resulteert dit anno 2021 in een marktrente die tussen de 0% en 1% ligt.

Zij geven ook een formule om de contante waarde van een niet-opeisbare vordering te berekenen, rekening houdend met zowel de verwachte periode in jaren totdat de vordering opeisbaar wordt tengevolge van het overlijden van de langstlevende, als de marktrente. (15) Doordat verschillende maatstaven gebruikt kunnen worden als input voor deze berekening en het uiteindelijk resultaat daarvan flinke verschillen oplevert in de contante waarde, is het dus van groot belang een duidelijke keuze te maken als het gaat om de te hanteren “rekenrente”.

Om aansprakelijkheid achteraf te voorkomen, moeten de in dit verband gemaakte keuzes goed onderbouwd worden vastgelegd in het adviesdossier. Uiteraard moeten deze keuzes wel fiscaal pleitbaar zijn om naheffingen met boete te voorkomen.

Vanwege het feit dat in de formule benchmarks staan die niet vast zijn én de uitkomst slechts een indicatie is van de contante waarde, is het verstandig om vooraf te overleggen met de belastinginspecteur.
Is dit niet mogelijk of willen cliënten dit niet, dan is opname van een zogenaamde glij-clausule in de overeenkomst tussen de langstlevende en de kinderen het overwegen waard. Mocht de fiscus achteraf van een andere contante waarde uitgaan, waardoor sprake is van een belastbare schenking, dan wordt het betaalde bedrag alsnog (deels) omgevormd tot een geldlening van de langstlevende aan de kinderen. Hierdoor kan hopelijk de (forse) heffing van schenkbelasting voorkomen worden.

d.    Vervroegde uitkering en heffing over de rente

Wordt niet alleen de vordering uitbetaald, maar ook de tot dat moment opgelopen rente, dan moet ook bekeken worden of uitbetaling van deze laatste component een schenking is. In dat geval moeten dus twee berekeningen gemaakt worden.

Bij een enkelvoudige rente (die achteraf wordt voldaan) is, in tegenstelling tot bij de hoofdsom, sprake van een renteloze vordering. De berekeningswijze van de contante waarde van de rente is gelijk aan die van de contante waarde van de hoofdsom (de vordering sec). (16)

e.     Heffingsmaatstaf schenkbelasting

Is met inachtneming van het voorgaande de contante waarde van de niet-opeisbare vordering en die van de bijgeschreven (maar niet-opeisbare) rente berekend én wordt meer uitbetaald zodat sprake is van een schenking, dan moet vervolgens die schenking gewaardeerd worden voor de schenkbelasting. Daarbij moeten wel de tabellen waarnaar verwezen wordt in de Successiewet gehanteerd worden. (17)

        Voorbeeld (Bron: ViaJuridica) (18)

Kind heeft een vordering van nominaal € 250.000 op zijn moeder (68 jaar), ontstaan krachtens wettelijke verdeling bij het overlijden van zijn vader.
De vordering is opeisbaar bij het overlijden van moeder.
De resterende levensverwachting van moeder is op die leeftijd 19 jaar.
Bij een marktrente van 2% bedraagt op dat moment de contante waarde afgerond € 171.000.
Lost moeder € 171.000 af, dan is geen sprake van een verarming en verrijking en dus geen schenking.

Als moeder € 250.000 aflost, dan lost zij meer af dan de waarde in het economische verkeer en is wel sprake van een schenking.

De Inspecteur zal voor de berekening van de omvang van de schenking de tabellen uit het Uitvoeringsbesluit SW hanteren en uitkomen op een bedrag van € 120.000
(€ 250.000 x 6% x 8).
Hoewel de feitelijke bevoordeling € 79.000 (€ 250.000 – € 171.000) bedraagt, wordt het kind belast voor een schenking van € 120.000.

Indien de marktrente 5% bedraagt, is de contante waarde van de vordering ten tijde van de aflossing afgerond € 99.000.
De feitelijke bevoordeling bedraagt dan € 151.000 (€ 250.000 – € 99.000), terwijl de schenking voor de heffing van schenkbelasting wordt gesteld op € 120.000.

Resumerend: de uitbetaling van de contante waarde van de niet-opeisbare vordering aan de kinderen leidt niet tot heffing van schenkbelasting. Hetzelfde geldt voor de contante waarde van de bijgeschreven rente over die vordering.

Wordt echter (iets) meer uitbetaald, dan kan een (forse) heffing van schenkbelasting het gevolg zijn.

Omdat bij de berekening van die contante waarde gebruik gemaakt moet worden van diverse variabelen, is de kans op verschillende uitkomsten groot. Gebruikt de belastinginspecteur een iets andere sterfte-tabel en/of marktrente, dan kan al snel sprake zijn van een lagere contante waarde.

Conclusie

In dit artikel is de centrale vraag of een niet-opeisbare vordering, ontstaan door overlijden, zonder fiscale problemen voortijdig kan worden uitbetaald door de langstlevende aan de kinderen.

Die vraag leeft bij veel ouders en is ingegeven door de angst dat ingeteerd moet worden op het vermogen vanwege de hoge eigen bijdrage die de langstlevende moet betalen bij langdurige opname in een zorginstelling. Populair omschreven als “het opeten van het eigen huis”.

Vanwege de geldende regels inzake de defiscalisering van de niet-opeisbare vorderingen van de kinderen, mogen deze schulden niet in mindering gebracht worden op het Box 3 vermogen van de langstlevende.

Sinds 1 januari 2012 gelden deze regels in vrijwel alle gevallen waarin de verdeling van de nalatenschap materieel lijkt op de langstlevende regeling uit Boek 4 BW (de wettelijke verdeling).

Uitbreiding in een testament van de situaties waarin de vorderingen van de kinderen opeisbaar worden, is daarom het eerste advies om de angst van cliënten het hoofd te bieden.  

De defiscalisering van de vorderingen van de kindsdelen vervalt als zich een (wettelijke of testamentaire) opeisingsgrond voordoet. Tot dat moment is de defiscalisering van rechtswege van toepassing.

Wordt een vordering afgelost terwijl deze (nog) niet opeisbaar is, dan kan een forse heffing van schenkbelasting volgen. Dit kan alleen vermeden worden door niet meer dan de contante waarde van de vordering (en eventuele rente) uit te betalen.
Omdat de meningen verdeeld zijn over de wijze waarop deze contante waarde moet worden berekend, is het niet makkelijk om die eenduidig te bepalen.

Het advies is dan ook om overleg te voeren met de Belastingdienst voordat uitbetaling plaats vindt.

Is dat niet mogelijk of gewenst, dan is gebruik van een glijclausule bijna een conditio sine qua non. Daarbij dient de door cliënten en hun adviseurs gebruikte berekeningsmethodiek goed onderbouwd te zijn.

Tot slot: wordt in een ouder testament verwezen naar de Wet op de bejaardenoorden, dan blijft de defiscalisering instand als de langstlevende opgenomen wordt in een zorginstelling voor intramurale zorg. De Wet op de bejaardenoorden is al vele jaren geleden afgeschaft en de huidige Wet langdurige zorg kan niet gezien worden als vervanging daarvan.

NOTENLIJST

1.     Wijziging bij de Wet Overige fiscale maatregelen 2012, TK 2011-2012, 33004, nr 3

2.     Artikel 5.4 lid 1 Wet Inkomstenbelasting 2001

3.https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/belastingdienst/prive/vermogen_en_aanmerkelijk_belang/vermogen/wat_zijn_uw_bezittingen_en_schulden/uw_bezittingen/overige_vorderingen_zoals_uitgeleend_geld_en_contant_geld[EL1] 
en

https://www.viajuridica.nl/fiscaal/thema/toelichting/Defiscalisering-van-erfrechtelijke-verkrijgingen

4.     Artikel 5.4 lid 1 Wet Inkomstenbelasting 2001

5.     Besluit Ministerie van Financiën MvF 31 oktober 2016, nr 2016-113962, onderdeel 3.2

6.     https://www.fbn-elearning.nl/user/article/10177

7.     Besluit Ministerie van Financiën MvF 31 oktober 2005, nr CPP2005/1272M

8.     Brief Belastingdienst Midden- en kleinbedrijf Kantoor Den Haag van 6 oktober 2020;
zie ook: Notamail 2021/20

9.     https://www.hetcak.nl/zelf-regelen/eigen-bijdrage-rekenhulp

10.   Artikel 5.4 lid 1 Wet Inkomstenbelasting 2001

11.   Hoge Raad 16 januari 1974 (nr 17234, BNB 1975/26)

12.   mr. L.E. Welkers en mr. R.D. de Jong, Afkoop van een erfrechtelijke niet-opeisbare vordering: tot welk bedrag?, Fiscale Berichten voor het notariaat 2020/23, pagina 12

13.   Zie Rechtbank Breda 13 augustus 2007, ECLI:NL:RBBRE:2007:BB2618

14.   mr. L.E. Welkers en mr. R.D. de Jong, Afkoop van een erfrechtelijke niet-opeisbare vordering: tot welk bedrag?, Fiscale Berichten voor het notariaat 2020/23

15.   De formule luidt:
indicatie van de contante waarde = Nominale waarde
                                                                                       (1+M)T[EL2] 

        M = huidige marktrente in decimalen

        T = de verwachte periode tot het opeisbaar worden van de vordering en indien dit niet bekend is de statistische levensverwachting van de schuldenaar in jaren.
mr. L.E. Welkers en mr. R.D. de Jong, Afkoop van een erfrechtelijke niet-opeisbare vordering: tot welk bedrag?, Fiscale Berichten voor het notariaat 2020/23, pagina 14

16.   https://www.viajuridica.nl/kennisdossier/wettelijk-erfrecht/fiscaal/thema/toelichting/Reikwijdte-Successiewet#Vervroegd_aflossen_op_overbedelingsschulden

17.   mr. P. Blokland, Compendium Estate Planning, Den-Haag 2019, pagina 204

18.   https://www.viajuridica.nl/kennisdossier/wettelijk-erfrecht/fiscaal/thema/toelichting/Reikwijdte-Successiewet#Vervroegd_aflossen_op_overbedelingsschulden


 [EL1]Ik krijg de eerste verwijzing niet netjes op de juiste tab.

 [EL2]

%d bloggers liken dit: