Hoeveel erfbelasting moet er betaald worden als één van beide echtgenoten overlijdt?
Maakt het uit of ze kinderen hebben?
Hoeveel erfbelasting moeten de kinderen betalen als de eerste ouder overlijdt?
En hoeveel als de langstlevende daarna overlijdt?
Maakt het uit of de ouders een testament hebben of niet?

Echtpaar, geen kinderen, geen testament
Om te beginnen is het belangrijk om te weten dat als er géén testament is, de langstlevende altijd erfgenaam is. Tenminste, als het koppel met elkaar getrouwd was of samen een geregistreerd partnerschap had.

Aangezien de langstlevende een zeer hoge vrijstelling heeft voor de erfbelasting, zal het niet zo snel gebeuren dat de langstlevende erfbelasting moet afdragen.

Echtpaar met kinderen, geen testament
Heeft het echtpaar kinderen, dan wordt de erfenis volgens Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek verdeeld tussen de langstlevende en de kinderen.
Dit betekent concreet dat het vermogen naar de langstlevende gaat. De kinderen krijgen een vordering op de langstlevende ter grootte van hun kindsdeel.

Dat is een bedrag in geld, maar de uitbetaling daarvan wordt uitgesteld tot een moment in de toekomst. Namelijk als de langstlevende overlijdt, failliet gaat of in de wettelijke schuldsanering komt.

De Belastingdienst wil echter nu al erfbelasting heffen over die vordering en niet pas ergens in de toekomst. Daarom moet de waarde van die vordering worden berekend per het moment dat de eerste van het echtpaar overlijdt.

Voor die berekening wordt het erfdeel van de kinderen verminderd en dat van de langstlevende verhoogd met een even groot bedrag. De achterliggende gedachte is dat de langstlevende het (fictieve) vruchtgebruik heeft van die kindsdelen. De langstlevende hoeft namelijk nu niets uit te betalen aan de kinderen en “houdt” het kindsdeel.

De waarde van dit (fictieve) vruchtgebruik van de langstlevende is afhankelijk van:

=       een eventueel afgesproken rente;

=       de leeftijd van de langstlevende.

Als de eerststervende vrij jong overlijdt, is het nadeel dat de kinderen hebben groter. Zij moeten langer wachten tot zij hun kindsdeel uitbetaald krijgen. Hoe ouder de langstlevende, hoe kleiner dit nadeel.

De factor die bepaalt hoe groot dit nadeel is voor de kinderen, en dus het voordeel voor de

langstlevende, staat in de tabel ‘Vermenigvuldigingsfactor bij variabele looptijd’.

Tabel: Vermenigvuldigingsfactor bij variabele looptijd

Leeftijd                                Factor

Jonger dan 20 jaar         16

Van 20 tot 30 jaar          15

Van 30 tot 40 jaar          14

Van 40 tot 50 jaar          13

Van 50 tot 55 jaar          12

Van 55 tot 60 jaar          11

Van 60 tot 65 jaar          10

Van 65 tot 70 jaar          8

Van 70 tot 75 jaar          7

Van 75 tot 80 jaar          5

Van 80 tot 85 jaar          4

Van 85 tot 90 jaar          3

Ouder dan 90 jaar          2

Omdat er geen testament is, geldt de wettelijk vastgestelde rente. De waarde van het voordeel voor de langstlevende is dan 6%. Met deze rente en de factor uit de tabel wordt berekend hoeveel het (fictieve) voordeel waard is. Dat bedrag wordt dus opgeteld bij het erfdeel van de langstlevende maar afgetrokken van de erfdelen van de kinderen.

Dus: 6% van het erfdeel maal de factor uit de leeftijdstabel.

Voorbeeld 1

Jan (67) overlijdt en er is geen testament. Hij is in gemeenschap van goederen getrouwd met Ans (66) en ze hebben 2 kinderen.
Samen hadden zij €600.000 aan bezittingen.
Doordat Jan en Ans in gemeenschap van goederen zijn getrouwd, is de nalatenschap de helft: €300.000.
De nalatenschap bestaat uit 3 gelijke erfdelen van €100.000: 1 erfdeel van Ans, 1 erfdeel van het eerste kind en 1 erfdeel van het tweede kind.
De waarde van het voordeel voor de langstlevende ouder is dan €100.000 x 6% x factor 8 = €48.000.

De erfbelasting voor de kinderen wordt dan berekend over €100.000 – €48.000 = €52.000.

De erfbelasting voor Ans wordt berekend over €100.000 + 2 x €48.000 = €196.000.

Voorbeeld 2

Hans (67) overlijdt en er is geen testament. Hij is in gemeenschap van goederen getrouwd met Anne (66) en ze hebben 1 zoon, Johan. Samen hadden zij €500.000 aan bezittingen.
Doordat Hans en Anne in gemeenschap van goederen zijn getrouwd, is de nalatenschap de helft: €250.000.
De nalatenschap bestaat uit 2 gelijke erfdelen van €125.000 : 1 erfdeel van Anne en 1 erfdeel van Johan.
De waarde van het voordeel voor de langstlevende ouder is dan €125.000 x 6% x factor 8 = €60.000.

De erfbelasting van Johan wordt berekend over €125.000 – €60.000 = €65.000.

Anne betaalt erfbelasting over €125.000 + €60.000 = €185.000.

In voorbeeld 2 krijgt zoon Johan bij het overlijden van zijn vader Hans een vordering op zijn moeder Anne van €125.000.
Maar zijn erfbelasting wordt berekend over €65.000.

LET OP: is er geen testament dan hoeft er dus – bij het overlijden van de langstlevende – geen erfbelasting betaald te worden over het “nadeel” dat Johan heeft omdat zijn vadersdeel niet direct wordt uitbetaald maar pas als Anne overlijdt.
Dat “nadeel” is €60.000 (€125.000 – €65.000).
Als over Johans kindsdeel 10% erfbelasting betaald moet worden, is dat toch een fiscaal voordeel van €6.000.
Ieder nadeel hep z’n voordeel.

Als aan het vermogen niks veranderd is, krijgt Johan bij het overlijden van Anne €500.000 – €125.000 = €375.000.

Over dat bedrag berekent de Belastingdienst bij overlijden van Anne dan de door Johan verschuldigde erfbelasting.

Aanpassing rente / echtpaar met kinderen en testament

Omdat alles wat Johan erft van Anne in het voorbeeld hoger is dan de vrijstelling van de erfbelasting en de eerste tariefschijf, geldt bij het overlijden van Anne het 20%-tarief.

Dit kan soms voorkomen worden door een rente af te spreken. Maar het kan ook zijn dat Hans dit in zijn testament heeft vastgelegd . Als Anne over de vordering jaarlijks een rente van 5% betaalt, groeit de vordering in 10 jaar met 10 x €125.000 x 5% = €62.500 tot €187.500.

Als Anne dan na 10 jaar overlijdt, is de verkrijging uit haar nalatenschap nog maar €500.000 – €187.500= €312.500.
Dit is een besparing in de erfbelasting van €62.500 x 20% = €12.500.

Maar hoe werkt deze rente bij het overlijden van Hans? Bij het overlijden van Hans kreeg Johan een vordering.
Als Johan een rentevergoeding van zijn moeder Anne ontvangt, krijgt hij feitelijk al het genot van het stukje erfenis.
Tegelijkertijd wordt ook het voordeel van Anne minder. Zij moet namelijk een rentevergoeding betalen.

Het jaarlijkse voordeel voor Anne (en het nadeel voor Johan) wordt in dit geval gesteld op de 6%, verminderd met het samengestelde rentepercentage dat is afgesproken. Dit verschil wordt vervolgens vermenigvuldigd met de leeftijdsfactor.


Is er sprake van een enkelvoudige rente ? (dat wil zeggen dat er geen rente op rente wordt berekend maar alleen rente over de hoofdsom).
Dan moet deze enkelvoudige rente eerst worden omgerekend naar een samengestelde rente, zodat er ook rente wordt berekend over de rente.
Dit gebeurt aan de hand van de statistische levensverwachting volgens het CBS.

Voorbeeld (geen rente)

Peter (57) overlijdt en laat zijn vrouw Inge (60) en een dochter Pauline na. De nalatenschap is €300.000.
Inge en Pauline erven voor gelijke delen.
De waarde van het voordeel voor de langstlevende ouder is dan €150.000 x 6% x factor 10 = €90.000.

De verkrijging van Pauline voor de erfbelasting is dan €150.000 – €90.000 = €60.000.

De verkrijging van Inge is €150.000 + €90.000 = €240.000.

Als Inge 20 jaar later overlijdt is het vermogen aangegroeid tot €500.000.
De verkrijging voor de erfbelasting bij het overlijden van Inge is dan €500.000 – €150.000 = €350.000.

Voorbeeld (met rente)

Peter (57) overlijdt en laat zijn vrouw Inge (60) en een dochter Pauline na.
De nalatenschap is €300.000.
In het testament staat dat er sprake is van een ouderlijke boedelverdeling, met een enkelvoudige rente van 7%.

Allereerst moet de 7% enkelvoudige rente omgerekend worden naar een samengestelde rente. De statistische levensverwachting van Inge is 24,7 jaar.
Een enkelvoudige rente van 7% komt overeen met een samengestelde rente van 4.2%.
Het verschil met de wettelijke 6% is dan 1,8%.

De waarde van het voordeel voor de langstlevende ouder is dan €150.000 x 1,8% x factor 10 = €27.000.

De verkrijging van Pauline voor de erfbelasting is dan €150.000 – €27.000 = €123.000.

De verkrijging van Inge is €150.000 + €27.000 = €177.000.

Als Inge 20 jaar later overlijdt, is het vermogen aangegroeid tot €500.000.

Doordat er een rente is afgesproken is de vordering gegroeid met €150.000 x 7% x 20 = €210.000 en is dan in totaal €210.000 + €150.000 = €360.000.

De verkrijging voor de erfbelasting bij het overlijden van Inge is dan €500.000 – €360.000 = €140.000.

Bovenmatige rente

Uit de voorbeelden kun je concluderen dat het voordelig is om een hoge rente af te spreken. Wanneer er te hoge rentes worden afgesproken, kent de wet echter een beperking. Als er een rente wordt afgesproken die hoger is dan een samengestelde rente van 6%, dan wordt dit alsnog bij het overlijden van de langstlevende fictief belast.

Er wordt dan een bijtelling toegepast op de verkrijging van de kinderen.

Voorbeeld (6% samengestelde rente)

Hans is getrouwd met Henrieke.
De huwelijkse gemeenschap heeft bij het overlijden van Hans een waarde van €1.200.000 en er zijn 2 kinderen.
De rente uit het testament is op 6% samengestelde rente bepaald.

De nalatenschap van Hans is €600.000. Henrieke krijgt het vermogen en de beide kinderen een vordering op Henrieke van ieder €200.000.

Als Henrieke 10 jaar later overlijdt, is de schuld door de rente opgelopen met €316.000.
Als het vermogen gelijk is gebleven, is Henrieke’s nalatenschap €1.200.000 – €400.000 – €316.000 =€484.000.

Elk kind krijgt dus de helft van €484.000 = €242.000.

Voorbeeld (8% samengestelde rente)

Hans is getrouwd met Henrieke. De huwelijkse gemeenschap heeft bij het overlijden van Hans een waarde van €1.200.000 en er zijn 2 kinderen.
De rente uit het testament is op 8% samengestelde rente bepaald.

De nalatenschap van Hans is €600.000.
Henrieke krijgt het vermogen en de beide kinderen een vordering op Henrieke van ieder €200.000.

Als Henrieke 10 jaar later overlijdt, is de schuld door de rente opgelopen met €463.000. Met een rentepercentage van 6% zou deze toename €316.000 zijn geweest, een verschil van €147.000.
Als het vermogen gelijk is gebleven, is Henrieke’s nalatenschap €1.200.000 – €400.000 – €463.000 =€337.000.

Elk kind krijgt dus de helft van €337.000 = €168.500.

Maar de bovenmatige rentevergoeding wordt voor de berekening daar nog bij opgeteld. Dit maakt de verkrijging per kind €168.500 + €73.500 (de helft van €147.000 ) = €242.000.

Conclusie

Zoals ziet, kan het zijn dat het ontbreken van een testament fiscaal gunstiger is op de korte termijn, maar nadeliger op de langere termijn.

Overlijdt de eerste van het koppel en is er geen testament, dan hoeft over het “voordeel” van de langstlevende meestal geen erfbelasting betaald te worden.
Bij overlijden van de langstlevende wordt er over dit “voordeel”verder geen erfbelasting berekend.

Maar met een testament, waarin een ander rentepercentage dan de wettelijke rente wordt opgelegd, teert de langstlevende langzaam maar zeker in op zijn/haar vermogen. Die papieren intering ten gunste van de langstlevende betekent weer dat de erfgenamen van de langstlevende minder erven en dan dus ook minder erfbelasting hoeven te betalen.

Wil je meer weten over dit onderwerp, neem dan eens contact op met je notaris.

Deze voorbeelden en (een deel van) de tekst zijn ontleend aan de site van de Belastingdienst.

%d bloggers liken dit: