“Leuker kunnen we het niet maken”. Die slogan van de Belastingdienst zal slecht vallen bij sommige mantelzorgers. 

Dat komt door de wijze waarop het Gerechtshofin Den-Haag artikel 10 van de Successiewet interpreteert. De casus is (aangepast voor vaderdag): vader is eigenaar van de woning waarin hij samen met zijn dochter woont. Als hij zijn einde voelt naderen, draagt hij de woning over aan zijn dochter tegen een waarde die lager ligt dan de WOZ-taxatie maar hoger dan wanneer hij zich een woonrecht zou voorbehouden. De koopsom scheldt vader kwijt.

Vader blijft echter gewoon wonen in het huis, dat nu van zijn dochter is. Maar dan als lid van het gezin. Hij betaalt daarvoor geen enkele vergoeding of huur.

Overlijdt iemand, dan kijkt de fiscus of deze persoon genot had van een vermogensobject dat eerst aan de overledene en vervolgens aan een erfgenaam heeft toebehoort. Volgens de rechtbank was daar in deze zaak geen sprake van, omdat vader formeel geen woonrecht had. Het Gerechtshof oordeelde echter dat voldoende is dat je feitelijk zo’n recht hebt. Gratis kost en inwoning zijn al genoeg. De inspecteur mocht erfbelasting heffen over de waarde van het huis van de dochter.

Weliswaar ging het om een niet alledaagse situatie, maar het zal niet bevorderen dat ouders langer thuis kunnen blijven. De dochter zou namelijk financieel beter af zijn geweest als zij haar vader op kosten van de overheid had laten verzorgen in plaats van zelf mantelzorger te zijn. Volgens mij is dat niet de insteek van de overheid.

Wil je hierover wat laten weten, stuur dan een mail.   

PRINTVERSIE

%d bloggers liken dit: