U weet dat de Nederlandse belastingdienst hard achter “zwartspaarders” aanzit. Om het aantrekkelijk te maken om vermogen bijvoorbeeld uit Zwitserland “fiscaal terug te laten keren” gold de inkeerregeling. Na betaling van een eenmalige heffing door de belastingontduikers, was het vermogen gelegitimeerd en was de kous verder af. Dat was tenminste de indruk die over deze regeling bestond.

Uit een arrest van het Gerechtshof in Den-Haag blijkt echter iets anders. De inkeerregeling betrof namelijk de heffing op grond van de Wet op de Inkomstenbelasting bij de zwartspaarder. Maar wat als deze (een deel van) het zwarte geld heeft geschonken aan zijn of haar kinderen ? Dan speelt ook de heffing van schenkbelasting op grond van de Successiewet.

In de casus was in 1991 buitenlands vermogen geschonken aan de kinderen. Daar was natuurlijk geen aangifte van gedaan, anders zou de belastingdienst toen al geweten hebben dat er zwart geld was. In 2013 is gebruik gemaakt van de inkeerregeling. Boete voldaan en klaar. Maar de fiscus legt vervolgens ook nog een aanslag schenkbelasting op.

De discussie tussen de inspecteur en het kind gaat er niet over of er schenkbelasting geheven mocht worden in de jaren ’90 van de vorige eeuw, maar of de inspecteur zoveel jaar na dato eigenlijk nog wel bevoegd is om een aanslag op te leggen.

De inspecteur wijst op artikel 66 lid 1 van de Successiewet. Daar staat dat die bevoegdheid eindigt drie jaar nadat het overlijden van de schenker of de ontvanger is ingeschreven in de registers van de Burgerlijke stand. De belastingplichtigen halen echter artikel 306 van Boek 3 van het Burgerlijk wetboek aan, waarin een verjaringstermijn van 20 jaar wordt vermeld.

De rechters geven in dit geval de inspecteur gelijk. De heffingsbevoegdheid is nog niet vervallen, simpelweg omdat de termijn van drie jaar nog niet eens is begonnen te lopen aangezien de schenker en diens kinderen nog leven.

Al is de belastingontduiker nog zo snel, de fiscus achterhaalt hem later wel.

Printversie

%d bloggers liken dit: