Recent werd ik door professor Jan Willems van de Universiteit Maastricht, gewezen op een juridisch interessante uitspraak van de Rechtbank in Groningen.

De uitspraak lezend blijkt dat het voor alle betrokkenen helaas een (emotioneel) moeilijke situatie moet zijn geweest. Zeker als je beseft dat over een kind beslist moest worden dat in haar eerste levensjaar verwaarloosd was, enkele jaren in een pleeggezin is opgegroeid en plotseling uit dit gezin en haar vertrouwde omgeving is weggehaald om na een jaar daar weer terug te komen. De door de rechtbank geraadpleegde deskundigen concluderen dan ook (helaas) dat het kind, waarvan ik schat dat het 10 jaar is, hechtingsproblemen heeft.

In deze zaak betreft het dus een minderjarig kind en de rechter moest beslissen of de biologische vader het ouderlijk gezag mocht behouden. Daaraan was gekoppeld de vraag of het jonge kind uit het pleeggezin gehaald moest worden om verder op te groeien in het gezin van haar vader. Dit laatste gezin bestond uit de vader van het minderjarige meisje, haar half-broer en haar stiefmoeder met haar dochter. Zo’n gezin wordt ook wel een samengesteld gezin genoemd omdat er veel verschillende bloed- en familiebanden zijn.

Het opmerkelijke van deze uitspraak is dat de rechters beslisten dat de bloedband tussen de vader en het kind geen argument is om over te gaan tot overplaatsing van het kind naar het gezin van de vader.

Vooral op grond van het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind wordt door de rechtbank geoordeeld dat bij het beantwoorden van de vraag of een (biologische) ouder uit het ouderlijk gezag moet worden gezet alleen gekeken moet worden naar de belangen van het kind.

Juridisch is van belang dat de rechtbank dus de bepalingen van het verdrag boven de bepalingen van de wet stelt, zoals artikel 268 van Boek 1 van het Burgerlijk wetboek (BW). Bovenal is van belang dat de rechtbank van mening is dat het enkele feit dat het bestaan van een bloedband tussen de vader en het kind geen reden is om aan te nemen dat het dus in het belang van het kind is om uit het pleeggezin gehaald te worden.

De rechtbank weegt alle deskundigenrapporten, opmerkingen van alle betrokken partijen en handelingen uit het verleden en concludeert dat het in het belang van het kind is om in een stabiele omgeving op te groeien. En volgens de rechtbank is dat wél mogelijk in het pleeggezin maar niét in het (samengestelde) gezin van de vader.

De rechtbank beslist daarom dat de vader van het ouderlijk gezag wordt ontheven (als bedoeld in artikel 266 Boek 1 BW) en dat het minderjarige kind bij de pleegouders zal blijven en daar zal opgroeien.

Voor meer informatie over de bloedband tussen biologische ouder en kind, verwijs ik u graag naar een commentaar van professor Jan Willems onder aan een artikel: Waar is het kind geworteld ?