Het komt niet vaak voor dat een notaris te maken krijgt met moord, maar een tijd terug las ik een uitspraak van de Rechtbank in Middelburg die mij aan het denken zette over dit onderwerp.
Een man had zijn vrouw vermoord, maar was daar nog niet voor veroordeeld. De reden daarvoor was een hele simpele: hij had zelfmoord gepleegd voordat de rechter hem kon veroordelen.
Dit is een situatie waar de wetgever ook niet aan gedacht heeft omdat in artikel 3 van Boek 4 van het Burgerlijk wetboek alleen geregeld is dat degene die veroordeeld is voor de moord, geen recht heeft op de erfenis. Maar wat er moet gebeuren als de moordenaar formeel alleen verdacht wordt en sterft voordat de veroordeling is uitgesproken, is niet vastgelegd in de wet.
Dat speelde hier een belangrijke rol omdat de man kinderen had uit een eerdere relatie, terwijl de vermoorde vrouw zelf geen kinderen had.
De rechtbank in Middelburg moest nu bepalen of de man erfgenaam was. Het gevolg daarvan zou zijn dat het vermogen van zijn vermoorde echtgenote bij zijn kinderen terecht zou komen. Artikel 3 was namelijk formeel nog niet toepasselijk en zijn kinderen waren zijn erfgenamen.
Een andere redenatie zou er voor zorgen dat de erfenis niet naar hem (en dus zijn kinderen) zou gaan maar naar de broer en zus van de vermoorde vrouw.
De rechtbank heeft uiteindelijk de maatstaven van “redelijk en billijkheid” er bij moeten halen om tot een oordeel te komen. Ik heb op de universiteit geleerd dat als je geen ander argument hebt, er maar één argument overblijft: “redelijkheid en billijkheid”. Dus het is een noodsprong.
De rechtbank is van mening dat onder omstandigheden het zo stuitend kan zijn dat iemand erft, dat het onaanvaardbaar is voor het rechtsgevoel. Dat geldt hier omdat de man zou alleen maar erven omdat hij vóór zijn strafrechterlijke veroordeling voor moord de hand aan zich zelf had geslagen. Op grond van de proces-verbalen uit het strafproces blijkt volgens de rechtbank duidelijk genoeg dat hij anders veroordeeld zou zijn voor de moord op zijn echtgenote.
Vervolgens concludeert de rechtbank dat het net zo stuitend zou zijn voor het rechtsgevoel als vervolgens de kinderen van de man het vermogen van de vrouw zouden krijgen omdat zij erfgenaam van hun vader zijn.
De rechtbank gebruikt dus de “redelijkheid en billijkheid” om een vreemde situatie te regelen en tegemoet te komen aan basale gevoelens van (on)recht.
Het aardige is dat ik het gevoel krijg dat dezelfde “redelijkheid en billijkheid” de laatste tijd vaker worden gebruikt om “ongewenste” resultaten te voorkomen in het erfrecht.
Hierover later misschien meer.
