Het leest als een soap, de uitspraak van de Kamer van Toezicht waarin een oordeel over het handelen van een notaris werd geveld. Hierin wordt duidelijk hoe verschillend de bescherming voor de langstlevende uitpakt als er een zogenaamd verblijvensbeding in het samenlevingscontract is opgenomen, ten opzichte van de situatie dat die bescherming in een testament wordt geregeld. Dat is de reden dat ik deze uitspraak hier graag wil behandelen.

Tijdlijn

Laat ik beginnen met de situatie en de tijdlijn te schetsen.

Een man en een vrouw hebben beiden al een relatie achter de rug als zij elkaar leren kennen. Uit die eerdere relaties hebben ze ieder één of meer kinderen.

Zij willen onder andere hun vermogensrechtelijke situatie goed regelen en laten daarom een samenlevingscontract en testamenten opstellen. Begin november 2003 worden deze akten gepasseerd bij de notaris. In het samenlevingscontract is een verblijvensbeding opgenomen.

Medio 2017 blijkt de man een terminale ziekte te hebben en gaat het stel naar de notaris om te bezien of hun wensen nog steeds goed verwoord zijn in hun samenlevingscontract en testamenten. Ze besluiten in overleg met de notaris een aantal wijzigingen aan te brengen. Het verblijvensbeding komt te vervallen en in een nieuw testament van de man wordt een regeling opgenomen ter bescherming van de vrouw tegen claims van zijn kinderen. Eind juli 2017 worden deze nieuwe akten getekend.

Op 14 september 2017 heeft de man weer een afspraak met de notaris. De relatie met zijn partner staat namelijk onder zware druk. Hij wil haar niet meer onbeperkt beschermen tegen zijn kinderen. Het vruchtgebruik voor zijn partner, dat krachtens het testament van juli 2017 levenslang zou duren, moet ingekort worden. Drie jaar na zijn overlijden moeten haar rechten eindigen.

Medio oktober 2017 wordt het (inmiddels) derde testament van de man daadwerkelijk getekend door hem en de notaris.

Uiteindelijk overlijdt de man op 11 november 2017. Enige tijd later komt de partner te weten dat zij dus niet levenslang het recht van vruchtgebruik heeft, maar slechts gedurende drie jaar.

Verblijvensbeding

Aan cliënten vertel ik vaak dat een verblijvensbeding gezien kan worden als een weddenschap. In hun samenlevingscontract leggen ze vast dat degene die het eerste overlijdt, de verliezer is. De winnaar is de langstlevende. Deze “wint” de volledige eigendom van alles wat de partners eerst samen in bezit hadden, zoals bijvoorbeeld de gezamenlijke woning, inboedel en bankrekening(en).

Het verwijt van de vrouw

In de tuchtzaak verwijt de vrouw de notaris dat deze het verblijvensbeding in juli 2017 uit het samenlevingscontract heeft gehaald en haar onvoldoende heeft voorgelicht over de consequenties hiervan.

Waar zij eerst de volle eigendom van de gezamenlijke woning, inboedel en bankrekening(en) zou hebben verkregen na het overlijden van de man, moet ze het nu doen met een vruchtgebruik dat na drie jaar eindigt. Na ommekomst van die termijn kunnen zijn kinderen eisen dat het gezamenlijke huis wordt verkocht en de overwaarde wordt verdeeld of hun stiefmoeder dwingen hen uit te kopen.

Dit is overduidelijk een verslechtering van haar positie.

Verschil samenlevingscontract en testament

Ik vind het van belang dat jij in jouw adviespraktijk duidelijk kunt maken wat het fundamentele verschil is tussen een verblijvensbeding in een samenlevingscontract en een langstlevende regeling in een testament.

In tegenstelling tot een testament is een samenlevingscontract een tweezijdige rechtshandeling. Anders gezegd: bij een testament is er géén tegenpartij, terwijl bij een samenlevingscontract altijd sprake is van twee (contracts)partijen.

Als één van die partijen de eerder gemaakte afspraken wil wijzigen, kan dat alleen als de wederpartij daarmee instemt. Omdat bij een testament juist géén andere partij betrokken is, kan de testateur/testatrice geheel alleen en zonder instemming van wie dan ook de regelingen in het testament aanpassen.

Daarmee is ook direct het dilemma geschetst in de aangehaalde soap. De vrouw vond het goed dat in het (nieuwe) samenlevingscontract het verblijvensbeding werd weggelaten. Hierdoor gaf zij, zonder dat zij zich hiervan voldoende bewust was, de zekerheid prijs dat zij bescherming genoot tegen de kinderen van haar partner.

Achteraf bezien wisselde zij die zekerheid in voor de onzekerheid van wat de man in zijn testament regelde ten gunste van haar. In het in juli 2017 getekende testament was dat een voor haar goede regeling in de vorm van een levenslang vruchtgebruik.

Maar vervolgens kon de man, buiten haar medeweten om, die (schijn)zekerheid te niet doen door weer een nieuw testament op te stellen.

Jouw adviespraktijk

In jouw adviespraktijk kom je zeker ook te praten over samenlevingscontracten en testamenten. Bijvoorbeeld bij starters die een huis kopen en voor de financiering daarvan jouw kennis en kunde nodig hebben. Of bij doorstromers op de woningmarkt en hun samengestelde gezinnen.

Zonder in details te treden, kun je hen nu duidelijk maken dat een samenlevingscontract meer zekerheid biedt dan een testament. Afhankelijk van de specifieke situatie en wensen, is het beter (en soms zelfs noodzakelijk) om niet alleen óf een samenlevingscontract óf een testament op te stellen, maar beide. Het is vooral verstandig ervoor te zorgen dat er een verblijvensbeding is waarop de langstlevende kan terugvallen.

De notaris

Het liep voor de notaris overigens niet goed af. In tweede en hoogste instantie heeft de tuchtrechter geoordeeld dat hij zijn werk niet had gedaan zoals een goed notaris betaamt. Hij heeft dan ook een berisping gekregen. Ik verwacht dat de vrouw in een aparte procedure bij de civiele rechter nu de schade zal proberen te verhalen die zij lijdt door het handelen van de notaris.

Aangezien de “gewone” rechter andere eisen stelt aan de causaliteit tussen het niet goed uitvoeren van werkzaamheden en de aansprakelijkheid voor schade, kan het zijn dat deze zaak voor de notaris toch nog met een sisser afloopt.

Wil je hierover wat laten weten, stuur dan een mail.    

Printversie: klik hier.

%d bloggers liken dit: