Een paar jaar terug heb ik een aantal artikelen geschreven voor de Telegraaf over het “opeten van je huis” als je langdurig opgenomen wordt in een verzorgingshuis of verpleegkliniek. 

In de tussentijd is de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) vervallen en vervangen door de Wet langdurige zorg (WLZ). 

Omdat de basis tot 1 januari 2019 niet wezenlijk is veranderd, heb ik mijn stukken niet herschreven.

Sinds die datum is de regeling echter op enkele punten nogal ingrijpend gewijzigd en daarom heb ik nu mijn oude teksten aan de actualiteit aangepast. 

Ik begin met een korte introductie van wat een levenstestament eigenlijk is. 

Daarna zal ik in dit artikel ingaan op de huidige regelgeving. 
Tevens zal ik aangeven op welke wijze een levenstestament kan voorkomen dat het eigen huis “opgegeten” moet worden vanwege de hoge eigen bijdrage die verschuldigd is na opname in een zorginstelling. 
Als laatste zal ik beargumenteren dat een levenstestament ook nut heeft als de patiënt geen hoge eigen bijdrage hoeft te betalen, maar wél sprake is van een langdurige opname.

Voor het leesgemak ga ik in het vervolg er van uit dat de patiënt een man is.

Wat is een levenstestament ?

Een levenstestament is in de basis een algehele volmacht. Vastgelegd wordt wie voldoende vertrouwen geniet om namens de ondertekenaar van het levenstestament allerlei zaken te regelen. 

Deze persoon of personen krijgen daardoor de macht om vrijwel alle handelingen te verrichten die de volmachtgever ook kan verrichten. De gevolmachtigde(n) kan/kunnen bijvoorbeeld geld van de bankrekening van de volmachtgever opnemen of overboeken. Maar ook geld lenen op diens naam of een hypotheekrecht vestigen op het huis van de volmachtgever. Ook het verkopen van dat huis en vervolgens de verkoopopbrengst wegschenken hoort tot de mogelijkheden.

Praktisch gezien is het enige dat de gevolmachtigde niet en de volmachtgever wel kan doen, het opstellen van een testament voor de volmachtgever en het uitkiezen van een verloofde. 

Vanwege deze (bijna) onbeperkte macht van de gevolmachtigde kan het verstandig zijn om meer personen als gevolmachtigde aan te wijzen. De kans op misbruik van de volmacht wordt daardoor kleiner. 

Om die kans nog wat kleiner te maken, kan ook opgenomen worden dat de volmacht pas in werking treedt nadat een arts verklaard heeft dat de volmachtgever niet meer capabel is om zelf zijn of haar belangen waar te nemen. Bijvoorbeeld doordat sprake is van een coma, zware hersenbloeding of dementie. Nadeel van deze bepaling is wel dat de gevolmachtigden niet onmiddellijk kunnen optreden namens de volmachtgever terwijl dit misschien wel gewenst is. Bijvoorbeeld in het beginstadium van dementie.

Als in de akte ook andere dan strikt financiële zaken zijn vastgelegd, wordt de volmacht echt een levenstestament. Denk daarbij aan wensen omtrent (het achterwege laten van) medische handelingen. Maar ook wensen inzake de verdeling van de inboedel bij langdurige opname in een zorginstelling of de opvang van huisdieren. 

De WLZ en de eigen bijdrage

Tot 1 januari 2019 was gedurende de eerste zes maanden na de opname in een zorginstelling de zogenaamde lageeigen bijdrage verschuldigd. Sinds die datum is deze termijn verkort: alleen tijdens de eerste vier maanden na opname wordt de eigen bijdrage verlaagd. 

Gedurende die (korte) periode moet tussen de €164,20 en € 861,80 per maand betaald worden. Daarvoor krijgt de patiënt zowel medische als overige zorg in de zorginstelling waarin hij is opgenomen.

Ná die termijn van vier maanden wordt de verplichte bijdrage verhoogd naar € 2.364,80. Bij de beoordeling of de patiënt in staat is om die hoge bijdrage ook daadwerkelijk te betalen, wordt zowel naar zijn netto-inkomen als naar zijn vermogen gekeken. Daarbij wordt er van uitgegaan dat de patiënt op dat vermogen een rendement behaalt dat door velen als te hoog wordt ervaren, aangezien dat rendement in werkelijkheid niet wordt bereikt. Hierdoor ontstaat dus de situatie dat moet worden ingeteerd op dat vermogen en daardoor is het idee ontstaan dat je “je eigen huis moet opeten”.

Lage eigen bijdrage

Delageeigen bijdrage is dus verschuldigd gedurende de eerste vier maanden na opname in de zorginstelling. Is de patiënt gehuwd of heeft hij tot de opname samengewoond terwijl hij een samenlevingscontract had, dan blijft de eigen bijdrage ook na die vier maanden op het lage niveau. 

Tijdens besprekingen met cliënten duid ik dat vaak aan als de situatie dat de ene partner patiënt is en de andere partner nog gezond is. Dus zolang één van de partners nog in goeden doen is, is er geen sprake van het “moeten opeten van het eigen huis”.  Maar er is een adder onder het gras: als er geensamenlevingscontract is opgesteld en het huis alleen op naam van de patiënt staat, kwalificeert deze voor de berekening van de hoogte van de eigen bijdrage als een alleenstaande partner en loopt het eigen huis toch gevaar.

Hoge eigen bijdrage

De verhoogde eigen bijdrage van € 2.364,80 moet voldaan worden indien en zolang de patiënt beschikt over voldoende inkomen. Onder inkomen wordt voor deze regeling echter niet alleen begrepen wat iedere maand wordt bijgeschreven op de bankrekening, maar ook het inkomen dat uit het vermogen wordt getrokken. Bij de vaststelling van de inkomsten uit het vermogen wordt niet uitgegaan van de daadwerkelijke opbrengst, maar van een zogenaamd fictief rendement.

Simpel gezegd, moet de hoge eigen bijdrage betaald worden uit het netto-inkomen, dus uit AOW en pensioen plus een bedrag gelijk aan een fictief rendement op (een deel van) het spaargeld, de beleggingen én de woning van de patiënt (als die nog niet verkocht is).  

Voorbeeld
Patiënt is alleenstaand
Netto-inkomen is 
 1.500,-
Hoge eigen bijdrage is 
 2.364,80
Of de patiënt ook het verschil van 
 864,80 moet voldoen, hangt af van diens vermogen.
Daarbij wordt de hierna besproken berekeningswijze gebruikt en gelden de hierna genoemde regels voor de vraag wat tot het vermogen van de patiënt behoort en welk deel daarvan meetelt.

Grondslag berekening ligt twee jaar terug

Voor de berekening van de hogeeigen bijdrage wordt gekeken naar de aanslag Inkomstenbelasting (IB) van twee jaar eerder en meer specifiek het belastbaar vermogen van de patiënt in Box 3. Eenvoudig gezegd worden in Box 3 al het spaargeld, beleggingen in aandelen en obligaties en beleggingspanden bij elkaar opgeteld. 

Per belastingplichtige is er een drempelbedrag van (afgerond) € 30.000,- waarover geen belastingheffing plaatsvindt. Over het meerdere wordt de belastingplichtige geacht een forfaitair rendement te maken, waarna 30% belasting wordt geheven. 

Dat rendement was tot het belastingjaar 2017 4% en daarover diende 30% vermogensrendementsheffing te worden betaald. Bij elkaar resulteerde dat in de bekende heffing van 1,2% over het belastbaar vermogen. Sinds het belastingjaar 2017 is het forfaitaire rendement echter in drie schijven onderverdeeld. Afhankelijk van de omvang van het belastbaar vermogen wordt de belastingplichtige geacht méér of minder rendement te maken op zijn of haar vermogen. De wetgever stelt ieder jaar opnieuw de omvang van de drie schijven en de hoogte van het forfaitaire rendement per schijf vast.

Dit betekent dus dat voor de exacte berekening van de te betalen hoge eigen bijdrage gerekend wordt met het voor Box 3 vrijgestelde bedrag, de schijven en het forfaitaire rendement van twee kalenderjaren eerder. 

Als vuistregel geldt echter dat het heffingsvrije bedrag € 30.000,- is, terwijl de eerste schijf loopt van nihil tot € 70.000, de tweede van € 70.000 tot € 990.000 en de derde van € 990.000 tot oneindig. Tevens kan gerekend worden met een fictief rendement over de eerste schijf van 2%, over de tweede schijf van 4,5% en over de laatste schijf van 5,5%.

Rendement en eigen bijdrage

Zoals aangegeven wordt ook voor de berekening van de eigen bijdrage in de WLZ uitgegaan van een fictief rendement dat de patiënt over zijn vermogen behaalt. 

Daarbij is er een koppeling met het hiervoor aangegeven – en door velen als te hoog ervaren – rendement voor de vermogensrendementsheffing in Box 3 van de IB. Helaas voor de patiënt wordt dat rendement nog eens verhoogd voor de WLZ. Tot 1 januari 2019 was die opslag acht procentpunten, maar voor het jaar 2019 (en naar mag worden aangenomen voor volgende jaren) is die “slechts” vier procentpunten.

Voor de berekening van de hogeeigen bijdrage in de WLZ in 2019 wordt dus uitgegaan van rendementen die variëren tussen 6,87% en 9,39%. 

De fictieve rendementen voor de IB voor het jaar 2019 zijn vastgesteld op respectievelijk 1,94%, 4,45% en 5,60%. Voor de berekening van de hoge eigen bijdrage voor de WLZ in het jaar 2021 worden die laatste drie percentages dus verhoogd met 4, zodat gerekend wordt met respectievelijk 5,94%, 8,45% of 9,60%.

Simpel rekenvoorbeeld
Patiënt wordt op 2 januari 2019 opgenomen.
Patiënt is alleenstaand en woonde de laatste 10 jaar in een huurwoning.
Patiënt bezit € 130.000,- aan spaargeld.
Tot en met april 2019 betaalt de patiënt een verlaagdeeigen bijdrage.
Voor de maanden mei en volgende moet de hogeeigen bijdrage betaald worden. 
Als het netto-inkomen van de patiënt lager is dan  2.300,-, wordt gerekend met het belastbaar vermogen zoals opgenomen in de aanslag IB 2017. Ook wordt uitgegaan van de fictieve rendementen over dat vermogen zoals die golden voor 2017.
Dus in casu wordt gerekend met  100.000,-, waarbij over de eerste schijf van  70.000,- zogenaamd 6% inkomen wordt genoten en over het meerdere ad  30.000,- 8,5%.
Heeft de patiënt een netto-inkomen van  1.500,- dan moet de patiënt dus  560,- per maand aan zijn of haar vermogen onttrekken, vanwege het rendement dat hij geacht wordt te hebben genoten.

De eigen woning wordt wel of toch niet in de berekening meegenomen

De meeste cliënten die ik spreek, beschikken niet over dusdanig veel spaargeld en/of beleggingen in aandelen of obligaties, dat zij in Box 3 de vermogensrendements-
heffing moeten betalen. Vaak hebben ze wel spaargeld, maar minder dan € 30.000,-.

Doorgaans hebben ze echter wel een forse overwaarde op hun woning, simpelweg omdat deze jaren geleden gekocht is en de hypothecaire geldlening ondertussen is afgelost. Is deze schuld niet afgelost, dan is de woning sinds de aankoop meestal dusdanig in waarde gestegen dat hierdoor een overwaarde is ontstaan. 

De waarde van die woning valt in Box 1. Echter, zodra de eigenaar deze woning verlaat, “verhuist” zij van Box 1 naar Box 3. Hierdoor zal de overwaarde dus ook meegenomen worden in de berekening voor het belastbaar vermogen in Box 3. Zoals aangegeven, wordt voor de berekening van de hogeeigen bijdrage als uitgangspunt genomen het belastbaar vermogen zoals dat in de aanslag IB van twee kalenderjaren eerder is opgenomen.

Wordt iemand opgenomen in een zorginstelling, dan zou de overwaarde van de woning dus pas twee kalenderjaren later kunnen leiden tot het verschuldigd zijn van een hogeeigen bijdrage. 

Simpel voorbeeld
(hierin is geen rekening gehouden met artikel 3:111 lid 5 IB)
Alleenstaande met  15.000,- spaargeld.
Tevens eigenaar van een eigen woning met een WOZ-waarde van  300.000,-, waarop nog een hypotheek rust van  100.000,-.
Wordt eind december 2018 opgenomen in een zorginstelling.
Per peildatum 1 januari 2019 behoort de overwaarde van de woning tot het vermogen in Box 3. 
Het Box 3 vermogen is dus  215.000,- groot, zodat het belastbaar vermogen  185.000,- is.
Voor de berekening van de eigen bijdrage voor de zorg zou dan in 2021 over die grondslag een fictief rendement van deels 6% en deels 8,5% worden gerekend.

Echter, op grond van artikel 3:111 lid 5 IB, mag de belastingplichtige de woning nog twee kalenderjaren náhet jaar van opname als Eigen Woning aanmerken (mits de woning natuurlijk in die jaren niet al verkocht en overgedragen is). Dat wil zeggen dat de woning in Box 1 blijft en dus niet naar Box 3 verhuist. Dit voor de te betalen IB gunstige effect heeft daarnaast ook zijn weerslag op de berekening van de hogeeigen zorgbijdrage. 

In het laatste cijfervoorbeeld zou dat betekenen dat de overwaarde niet al in het belastingjaar 2019 maar pas in 2021 in aanmerking wordt genomen voor het belastbaar vermogen in Box 3. Aangezien de IB aanslag van 2021 twee jaar daarna wordt gebruikt voor de berekening van de eigen bijdrage voor de zorg, wordt de overwaarde dus pas in 2023 meegenomen in de grondslag waarover respectievelijk 6%, 8,5% of 9,6% fictief inkomen wordt genoten.

Gesteld zou kunnen worden dat het dus tot vijf jaar na opname duurt voordat “het eigen huis opgegeten” moet worden. Dit kan er toe leiden dat na de opname van de patiënt zo lang mogelijk gewacht wordt met de verkoop en overdracht van diens woning. Als eerder geleverd wordt, wordt namelijk ook de overwaarde sneller verzilverd. De aldus gegenereerde gelden worden gecrediteerd op de (spaar)rekening van de patiënt en maken dan per de eerstkomende peildatum al deel uit van het Box 3 vermogen. 

Levenstestament oplossing tegen opeten eigen huis ?

Het merkwaardige van de regeling voor de berekening van de eigen bijdrage bij opname in een zorginstelling is, dat een plotselinge daling van het vermogen onmiddellijk leidt tot een lagere eigen bijdrage. Dus niet pas na verloop van tijd, als de daling ook voor de IB leidt tot minder of geen belastbaar vermogen in Box 3.

Ook als de daling het gevolg is van actief handelen, zal bij de berekening meteen rekening gehouden worden met de plotsklapse vermindering van het vermogen.

Hiervan kan gebruik gemaakt worden door schenkingen te doen. Als het vermogen van de patiënt wordt weggeschonken, leidt dat vrijwel onmiddellijk tot een lagere eigen bijdrage voor de zorg. Door de schenking is namelijk het vermogen verkleint en daarmee dus ook de grondslag waarop die bijdrage gebaseerd is.

Opname in een zorginstelling vindt echter doorgaans plaats omdat er een medische noodzaak is. Ten gevolge van bijvoorbeeld een coma, hersenbloeding of dementie kan de patiënt dan niet meer rechtsgeldige handelingen te verrichten. De patiënt kan dan niet meer zelf schenken.

Als de patiënt bij volle verstand een levenstestament heeft opgesteld, heeft hij iemand aangewezen die namens hem alle rechtshandelingen kan verrichten. Daaronder valt ook het doen van schenkingen uit het vermogen van de volmachtgever. Ook (of misschien beter: juist) als deze opgenomen is in een zorginstelling. 

Nog twee andere redenen voor een levenstestament

In het voorgaande heb ik beschreven welke effect het tekenen van een levenstestament kan hebben op de berekening van de hoge eigen bijdrage bij opname in een zorginstelling. Er zijn daarnaast nog twee andere situaties waarin het voorhanden zijn van een levenstestament positief is. Die zal ik hierna bespreken.

Levenstestament zeer nuttig zodat de gezonde partner de “handen vrij heeft”

Zonder levenstestament zal wanneer sprake is van een langdurig coma, dementie of zware hersenbloeding door de rechter een bewindvoerder of curator worden aangesteld. Hiertoe moet door een belanghebbende een verzoek worden ingediend.

De aldus benoemde bewindvoerder of curator dient de (financiële) belangen van de patiënt te behartigen. Zij moeten echter bij financiële handelingen goedkeuring krijgen van de rechter. Is de handeling niet in het belang van de patiënt, dan wordt de toestemming niet verleend.

Als een echtpaar, een als partners geregistreerd stel of een samenwonend koppel bezittingen met elkaar delen, zoals bijvoorbeeld de woning waarin zij samen verblijven, zal de rechter waarschijnlijk wel fiat geven voor de voorgenomen verkoop en levering van die woning. Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal de rechter echter geen toestemming geven om vervolgens het aandeel van de patiënt in de overwaarde weer te gebruiken voor de aankoop van een nieuwe woning voor de gezonde partner. Het is namelijk niet in het belang van de patiënt om dat vermogen in een belegging te steken, die bestaat uit die ene onroerende zaak.

Een levenstestament voorkomt dat de gezonde partner in die situatie niet zonder rechterlijke inmenging kan handelen met het “eigen” vermogen. Als de partner namelijk aangewezen wordt als gevolmachtigde, kan deze zonder enige vorm van toezicht beschikken over het totale (gezamenlijke) vermogen. Indien toch controle gewenst is op de handelingen die namens de patiënt verricht worden, kan in het levenstestament nog een tweede persoon worden aangewezen als mede-gevolmachtigde of als separate toezichthouder. 

Aanvraag indicatiecommissie

Voordat een patiënt opgenomen kan worden in een zorginstelling, moet door een commissie van deskundigen een oordeel geveld worden over diens medische conditie en de zwaarte van de noodzakelijke verpleging. Hiertoe moet een verzoek worden ingediend.

Dit moet worden gedaan door de patiënt zelf of diens vertegenwoordiger. Dat kan een door de rechter benoemde bewindvoerder, curator of mentor zijn. Als de aanvraag niet door de patiënt zelf, zijn mentor, curator of bewindvoerder gedaan wordt, zal het verzoek niet in behandeling genomen worden.

Dat laatste betekent een vertraging omdat in dat geval eerst een benoemingsprocedure bij de rechtbank doorlopen moet worden. Pas als die gevolgd is en de rechter iemand anders heeft aangesteld om de belangen van de patiënt te behartigen, kan de aanvraag (opnieuw) worden ingediend. In de tussentijd zal de patiënt noodgedwongen thuis moeten blijven wonen, met alle negatieve gevolgen van dien.

Als de patiënt in een levenstestament iemand heeft aangewezen als zijn gevolmachtigde, kan die vertraging worden vermeden. De indicatiecommissie accepteert dat het verzoek wordt ingediend door deze persoon. Dit betekent tijdswinst en voorkomt een hoop stress bij de betrokken familieleden.

Nb: de gebruikte cijfers zijn die van 2019, tenzij anders vermeld.

Wil je hierover wat laten weten, stuur dan een mail.  

PRINTVERSIE

%d bloggers liken dit: